Methodologie

Deze tegenstelling heeft haar tegenhanger op vlak van onderzoeksmethoden. Het is daar de vraag of een methodiek wordt ontwikkeld die streeft naar een globale relevantie en een globale geldigheid dan wel naar een lokale relevantie en een lokale geldigheid. Wat de onderzoeksvragen betreft betekent dit dat men een keuze moet maken op een continuüm begrensd door ‘algemeen’ en ‘specifiek’. In het eerste geval wordt het mogelijk dat de conclusies zwak aansluiten bij de noden van het lokale beleid terwijl in het andere geval de kans ontstaat dat voorbij wordt gegaan aan elementaire, decretale (en dus globale) verwachtingen waaraan het lokaal sociaal beleid moet beantwoorden. Hiervoor zijn verschillende oplossingen bedenkbaar. Een oplossing voor deze tegenstelling zou erin kunnen bestaan dat in het formuleren van de lokale onderzoeksvragen ondermeer gebruik wordt gemaakt van bestaande instrumenten die een hoofdzakelijk globaal karakter hebben (indicatorensets, sociale conjunctuurbarometer, kwaliteitscriteria). De onderzoeksvragen die eerder te maken hebben met lokale doelstellingen en een plaatselijke visie op het lokaal sociaal beleid kunnen dan zowel daarbinnen als daarnaast worden verantwoord.

Naast een sterke wetenschappelijke onderbouwing zijn belangrijke streefkenmerken van de te ontwikkelen methodiek:

-
een hoge lokale beleidsrelevantie en sterk praktijkgeoriënteerd,
-
op maat gesneden (tailored),
-
dialogerend en onderhandelend met lokale verantwoordelijken in de diverse onderzoeksfases,
-
participatief naar lokale betrokkenen (stakeholders) en de lokale gemeenschap,
-
multi-methodisch, zoals (groeps)interviews, schriftelijke bevragingen, panels
-
empowerend wat de medewerkers betreft (zodat sommigen onder hen, al dan niet met begeleiding, zelf onderzoek kunnen opzetten, en velen onder hen gestimuleerd worden om over hun werk na te denken, te praten en via deelname aan onderzoek verder vat krijgen op de praktijk waarbinnen ze werken),
-
‘goal free’ (in de zin dat alle betrokkenen vrij zijn om de lokale praktijk te evalueren aan de hand van eigen doelen, criteria en normen)
-
‘sociaal constructivistisch’ (in de zin dat verschillende betrokkenen tot andere definities en percepties zullen komen en dat het voor beleidsverantwoordelijken op z’n minst belangrijk is om daar kennis van te nemen).